Het verkeersreglement bepaalt:
AR 13. Alvorens een manoeuvre of een beweging uit te voeren die een zijdelingse verplaatsing vereist of een wijziging van richting veroorzaakt, moet de bestuurder zijn voornemen tijdig genoeg kenbaar maken met de richtingsaanwijzers wanneer het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet en indien mogelijk, door een teken met de arm. Deze aanduiding moet ophouden zodra de zijdelingse verplaatsing of de wijziging van richting uitgevoerd is.
In de praktijk laat ik mijn richtingsaanwijzers 4 keren knipperen alvorens een zijdelingse verplaatsing te beginnen of vooraleer ik begin te vertragen om links of rechts af te slaan.
Bij een zijdelingse verplaatsing geef je zo een bestuurder die je niet zou gezien hebben en die je voorrang moet verlenen, de tijd om je er met een geluidssignaal of een grootlichtsignaal op attent te maken.
Bij links of rechts afslaan kan de achterligger zich er zo op voorbereiden dat je gaat vertragen.
Wat het stoppen achter een voorligger betreft, laat ik altijd voldoende afstand om zo nodig weg te kunnen rijden zonder eerst een stukje achteruit te moeten rijden. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om snel de doorgang vrij te maken voor een prioritair voertuig, als het voertuig vóór jou niet meer verder geraakt of in brand vliegt, of om snel te kunnen wegkomen in geval van verkeersagressie.