door Jozef » 31 aug 2005, 12:52
Sien, ik ga proberen jou de technische uitleg te geven waarom je vroeg.
De banden hebben een redelijk grote adhesie (= grip) op een normaal wegdek. Je kunt bijvoorbeeld een wagen die geparkeerd staat met de parkeerrem op, niet vooruitduwen: de parkeerrem belet het draaien van de achterwielen, en de banden schuiven niet zo maar over het wegdek.
Van die adhesie wordt gebruik gemaakt voor het overbrengen op het wegdek van 3 krachten: de aandrijfkrachten, de remkrachten en de stuurkrachten.
Die adhesie is ook op droog stroef wegdek niet onbeperkt. Ga je bijvoorbeeld te snel door een bocht, dan kunnen de banden niet voldoende reactiekracht (stuurkrachten) meer overbrengen op het wegdek om de middelpuntvliedende kracht (die de wagen rechtdoor wil laten rijden in plaats van door de bocht) te overwinnen.
In een bocht komt het er dus op aan te zorgen dat er zoveel mogelijk adhesie beschikbaar blijft voor het overbrengen van de stuurkrachten. We gaan daartoe alvast niet onnodig remmen in de bocht, en liefst ook plotse sterke veranderingen van de aandrijfkrachten vermijden.
Het is niet het ontkoppeld door een bocht rijden op zichzelf dat de wagen aan het slippen zal brengen. Maar als het koppelingspedaal ingetrapt is, kan de motor geen aandrijfkracht overbrengen naar de aandrijfwielen. De wagen zal daardoor vertragen. Hij zal nog sterker vertragen door de wrijving van de banden in de bocht. En hij zal nog sterker vertragen als het wegdek bergop ligt in de bocht.
Het risico is dus groot dat we in de bocht het koppelingspedaal weer zullen moeten laten opkomen en gas bijgeven om de wagen op snelheid te houden. En hier schuilt nu juist het gevaar. Als het koppelingspedaal niet ingetrapt is, kunnen we mooi met een gelijkmatige aandrijfkracht door de bocht gaan. Moeten we echter het koppelingspedaal in de bocht weer laten opkomen, dan wordt plots weer de aandrijfkracht van de motor (als we genoeg gas geven) of de remmende kracht van de motor (als we te weinig gas geven) overgebracht op de aandrijfwielen. Deze plotse verandering van aandrijf- of remkracht op de banden van de aandrijfwielen kan ervoor zorgen dat ze niet genoeg adhesie meer overhouden om de middelpuntvliedende kracht te overwinnen, en de wagen begint te slippen.
Een bijkomend element is de lastenwissel die ontstaat bij het koppelen. Een wagen die versnelt, heeft de neiging om vooraan wat omhoog te komen: zijn gewicht wordt schijnbaar naar achter verplaatst. Daardoor drukt er dus minder gewicht op de voorwielen, zodat de adhesie van de voorbanden vermindert. De voorwielen zijn echter bij vele moderne wagens niet alleen de sturende wielen, maar ook de aandrijfwielen (voorwielaandrijving).
Deze lastenwissel wijzigt ook het gedrag van de wagen in de bocht. De wagen kan onderstuurd worden (de voorwielen breken eerst uit, de wagen wil de bocht te ruim nemen) of overstuurd (de achterwielen breken eerst uit, de wagen wil de bocht te kort nemen).
Bij onderstuur kun je gedoseerd tegensturen, en zodra de wagen weer de andere kant opgaat de wagen weer de bocht insturen (want anders breekt hij nog heviger uit naar de andere kant, en wordt hij oncontroleerbaar).
Bij overstuur heb je minder speelruimte. Je kunt alleen maar proberen de bocht ruimer en trager te nemen (tenzij je de handrem heel even aantrekt om de achterwielen te doen uitbreken en de wagen zo terug de bocht in te krijgen).
Nog een element is dat de aandrijfkracht bij voorwielaandrijving uitgeoefend wordt in de richting van de raaklijn aan de bocht die de voorwielen beschrijven, en aldus de wagen in de gewenste richting trekken. Dit gebeurt niet als het koppelingspedaal ingetrapt is, omdat er dan geen aandrijfkrachten overgebracht worden naar de aandrijfwielen.
Bij een achterwielaangedreven wagen daarentegen willen de aandrijfkrachten de wagen ook in een bocht rechtdoor duwen een plotse toevoeging van aandrijfkracht kan er daardoor toe leiden dat de wagen de bocht niet meer volgt.
Gaat de wagen in een bocht aan het slippen, dan helpt het om te ontkoppelen, omdat je dan zeker bent dat er enkel nog stuurkrachten door de wielen moeten overgebracht worden op het wegdek. Bestuurders met een hoge mate van wagenbeheersing zullen daarentegen, vooral met een wagen met een krachtige motor en achterwielaandrijving, verkiezen om de motor gekoppeld te laten, zodat ze door meer of minder gas te geven het stuurgedrag kunnen beïnvloeden. Maar dit tot een goed einde brengen ligt niet in het bereik van Jan met de Pet.
Nog enkele tips:Trek niet aan het stuurwiel. In een bocht naar rechts duw je met de linkerhand aan het stuurwiel, in een bocht naar links met de rechterhand. Het vergt even wat gewenning, maar het stuurt veel nauwkeuriger.Vermijd de wagen bruusk de bocht in te sturen vanwege de zijdelingse lastenwissel die dit veroorzaakt. Begin al een klein beetje vroeger het stuurwiel wat te verdraaien, zodat de wagen als het ware zachtjes in de bocht gelegd wordt.Neem een bocht zo ruim mogelijk: aan de buitenkant erin, in het midden zoveel mogelijk naar links in een bocht naar links of naar rechts in een bocht naar rechts, en aan de buitenkant er weer uit. Enkel een haarspeldbocht moeten we volledig langs de buitenkant nemen om hem zo ruim mogelijk te nemen.Mocht er iets nog niet geheel duidelijk zijn, vraag het dan gerust, dan leg ik het graag uit.
Sien, ik ga proberen jou de technische uitleg te geven waarom je vroeg.
De banden hebben een redelijk grote adhesie (= grip) op een normaal wegdek. Je kunt bijvoorbeeld een wagen die geparkeerd staat met de parkeerrem op, niet vooruitduwen: de parkeerrem belet het draaien van de achterwielen, en de banden schuiven niet zo maar over het wegdek.
Van die adhesie wordt gebruik gemaakt voor het overbrengen op het wegdek van 3 krachten: de aandrijfkrachten, de remkrachten en de stuurkrachten.
Die adhesie is ook op droog stroef wegdek niet onbeperkt. Ga je bijvoorbeeld te snel door een bocht, dan kunnen de banden niet voldoende reactiekracht (stuurkrachten) meer overbrengen op het wegdek om de middelpuntvliedende kracht (die de wagen rechtdoor wil laten rijden in plaats van door de bocht) te overwinnen.
In een bocht komt het er dus op aan te zorgen dat er zoveel mogelijk adhesie beschikbaar blijft voor het overbrengen van de stuurkrachten. We gaan daartoe alvast niet onnodig remmen in de bocht, en liefst ook plotse sterke veranderingen van de aandrijfkrachten vermijden.
Het is niet het ontkoppeld door een bocht rijden op zichzelf dat de wagen aan het slippen zal brengen. Maar als het koppelingspedaal ingetrapt is, kan de motor geen aandrijfkracht overbrengen naar de aandrijfwielen. De wagen zal daardoor vertragen. Hij zal nog sterker vertragen door de wrijving van de banden in de bocht. En hij zal nog sterker vertragen als het wegdek bergop ligt in de bocht.
Het risico is dus groot dat we in de bocht het koppelingspedaal weer zullen moeten laten opkomen en gas bijgeven om de wagen op snelheid te houden. En hier schuilt nu juist het gevaar. Als het koppelingspedaal niet ingetrapt is, kunnen we mooi met een gelijkmatige aandrijfkracht door de bocht gaan. Moeten we echter het koppelingspedaal in de bocht weer laten opkomen, dan wordt plots weer de aandrijfkracht van de motor (als we genoeg gas geven) of de remmende kracht van de motor (als we te weinig gas geven) overgebracht op de aandrijfwielen. Deze plotse verandering van aandrijf- of remkracht op de banden van de aandrijfwielen kan ervoor zorgen dat ze niet genoeg adhesie meer overhouden om de middelpuntvliedende kracht te overwinnen, en de wagen begint te slippen.
Een bijkomend element is de lastenwissel die ontstaat bij het koppelen. Een wagen die versnelt, heeft de neiging om vooraan wat omhoog te komen: zijn gewicht wordt schijnbaar naar achter verplaatst. Daardoor drukt er dus minder gewicht op de voorwielen, zodat de adhesie van de voorbanden vermindert. De voorwielen zijn echter bij vele moderne wagens niet alleen de sturende wielen, maar ook de aandrijfwielen (voorwielaandrijving).
Deze lastenwissel wijzigt ook het gedrag van de wagen in de bocht. De wagen kan onderstuurd worden (de voorwielen breken eerst uit, de wagen wil de bocht te ruim nemen) of overstuurd (de achterwielen breken eerst uit, de wagen wil de bocht te kort nemen).
Bij onderstuur kun je gedoseerd tegensturen, en zodra de wagen weer de andere kant opgaat de wagen weer de bocht insturen (want anders breekt hij nog heviger uit naar de andere kant, en wordt hij oncontroleerbaar).
Bij overstuur heb je minder speelruimte. Je kunt alleen maar proberen de bocht ruimer en trager te nemen (tenzij je de handrem heel even aantrekt om de achterwielen te doen uitbreken en de wagen zo terug de bocht in te krijgen).
Nog een element is dat de aandrijfkracht bij voorwielaandrijving uitgeoefend wordt in de richting van de raaklijn aan de bocht die de voorwielen beschrijven, en aldus de wagen in de gewenste richting trekken. Dit gebeurt niet als het koppelingspedaal ingetrapt is, omdat er dan geen aandrijfkrachten overgebracht worden naar de aandrijfwielen.
Bij een achterwielaangedreven wagen daarentegen willen de aandrijfkrachten de wagen ook in een bocht rechtdoor duwen een plotse toevoeging van aandrijfkracht kan er daardoor toe leiden dat de wagen de bocht niet meer volgt.
Gaat de wagen in een bocht aan het slippen, dan helpt het om te ontkoppelen, omdat je dan zeker bent dat er enkel nog stuurkrachten door de wielen moeten overgebracht worden op het wegdek. Bestuurders met een hoge mate van wagenbeheersing zullen daarentegen, vooral met een wagen met een krachtige motor en achterwielaandrijving, verkiezen om de motor gekoppeld te laten, zodat ze door meer of minder gas te geven het stuurgedrag kunnen beïnvloeden. Maar dit tot een goed einde brengen ligt niet in het bereik van Jan met de Pet.
Nog enkele tips:Trek niet aan het stuurwiel. In een bocht naar rechts duw je met de linkerhand aan het stuurwiel, in een bocht naar links met de rechterhand. Het vergt even wat gewenning, maar het stuurt veel nauwkeuriger.Vermijd de wagen bruusk de bocht in te sturen vanwege de zijdelingse lastenwissel die dit veroorzaakt. Begin al een klein beetje vroeger het stuurwiel wat te verdraaien, zodat de wagen als het ware zachtjes in de bocht gelegd wordt.Neem een bocht zo ruim mogelijk: aan de buitenkant erin, in het midden zoveel mogelijk naar links in een bocht naar links of naar rechts in een bocht naar rechts, en aan de buitenkant er weer uit. Enkel een haarspeldbocht moeten we volledig langs de buitenkant nemen om hem zo ruim mogelijk te nemen.Mocht er iets nog niet geheel duidelijk zijn, vraag het dan gerust, dan leg ik het graag uit.