Artikel 20: Verkeer op spoorwegen en overwegen
20.1. Elk verkeer op buiten de rijbaan aangelegde sporen is verboden.
20.2. De weggebruiker die een overweg nadert moet dubbel voorzichtig zijn teneinde alle ongevallen te voorkomen: wanneer het een overweg is zonder slagbomen of zonder verkeerslichten, of wanneer deze lichten niet werken, mag de weggebruiker zich slechts op de overweg begeven na er zich van vergewist te hebben dat geen enkel spoorvoertuig nadert.
20.3. Het is verboden zich op een overweg te begeven :
1° wanneer de slagbomen in beweging of gesloten zijn;
2° wanneer de rode knipperlichten branden;
3° wanneer het geluidssein werkt.
20.4. De bestuurder mag een overweg niet oprijden wanneer het verkeer zodanig belemmerd is dat hij waarschijnlijk op die overweg zou moeten stoppen.
Wanneer de visuele kenmerken m.n.
slagbomen of verkeerslichten niet aanwezig zijn, is het een onbewaakte overweg.
Ook enkel met een geluidsein is een onbewaakte overweg (omwille van de doven en slechthorenden).
Een bewaakte overweg moet dus minstens voorzien zijn van slagbomen of verkeerslichten.