door Stefan Peeters » 29 mar 2009, 14:24
Tijdens het examen wordt gekeken of je
- het voertuig voldoende onder controle hebt
- de wegcode respecteert
- op een vlotte en veilige manier rijdt
Met andere woorden: er wordt gekeken of het verantwoord is om je alleen of in het gezelschap van anderen de baan op te sturen.
Er wordt niet extra of minder op iets gelet: het is de combinatie van alles...
Om precies te zijn:
III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN B en B + E
B. De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten :
1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
3. Rijden door bochten;
4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;
7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
8. Zuinig en milieuvriendelijk rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
13. Snelheidsbeperkingen;
14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.
17. Categorie B : de volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd :
1. Voorafgaande controles.
a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;
2. Keren in een smalle straat;
3. Parkeren achter een voertuig.
Tijdens het examen wordt gekeken of je
- het voertuig voldoende onder controle hebt
- de wegcode respecteert
- op een vlotte en veilige manier rijdt
Met andere woorden: er wordt gekeken of het verantwoord is om je alleen of in het gezelschap van anderen de baan op te sturen.
Er wordt niet extra of minder op iets gelet: het is de combinatie van alles...
Om precies te zijn:
[color=blue][b]III. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG MET BETREKKING TOT DE CATEGORIEËN B en B + E [/b]
[b]B.[/b] [u]De proef op de openbare weg gaat over de volgende punten [/u]:
1. Wegrijden na een stop in het verkeer, verlaten van een oprit;
2. Rijden op rechte wegen, tegenliggers kruisen, ook bij wegversmallingen;
3. Rijden door bochten;
4. Oprijden en verlaten van snelwegen of vergelijkbare wegen, zo mogelijk;
5. Inhalen en voorbijrijden : inhalen van andere voertuigen, obstakels voorbijrijden, ingehaald worden;
6. Speciale verkeersinrichtingen, waaronder : rotondes, overwegen, tram- of bushaltes, voetgangersoversteekplaatsen, stijgende of dalende weg over een lange afstand, tunnels;
7. Beheersing van het voertuig : correct gebruik van de achteruitkijkspiegels en de lichten, correct gebruik van de koppeling, versnellingsbak, gaspedaal, reminrichting, hoofdsteun, zitplaats, stuurinrichting;
8. Zuinig en milieuvriendelijk rijden : letten op het motorregime en het schakelen, remmen en versnellen;
9. Goed kijken : rondom kijken, correct gebruik van de achteruitkijkspiegels; dichtbij, verder weg, ver kijken;
10. Voorrang verlenen op kruispunten en overwegen, bij het veranderen van richting of rijstrook en bij manoeuvres; naderen en oversteken van kruispunten;
11. Juiste positie op de weg, de rijstroken, de rotondes en door bochten, volgens het type en de eigenschappen van het voertuig; voorsorteren;
12. Veilige afstand : voldoende afstand bewaren voor en naast het voertuig, voldoende afstand bewaren ten opzichte van de andere weggebruikers;
13. Snelheidsbeperkingen;
14. Verkeerstekens en instructies van verkeersagenten;
15. Het geven van signalen : signalen geven op de juiste momenten; correct reageren op signalen van andere weggebruikers;
16. Remmen en stoppen : tijdig gas minderen, afremmen of stoppen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden; anticipatievermogen.
[b]17. Categorie B[/b] : [u]de volgende manoeuvres worden op de openbare weg uitgevoerd[/u] :
1. Voorafgaande controles.
a) Verstellen van de zitplaats van de bestuurder voor een juiste zithouding;
b) Afstellen van de achteruitkijkspiegels, veiligheidsgordel en hoofdsteun;
c) Nakijken of de portieren goed gesloten zijn;
d) Banden, remmen, stuurinrichting, vloeistoffen, lichten, verluchting, richtingaanwijzers en geluidstoestel worden steekproefsgewijze gecontroleerd;
e) De nodige voorzorgsmaatregelen nemen bij het verlaten van het voertuig;
2. Keren in een smalle straat;
3. Parkeren achter een voertuig.[/color]